Filosoof Lisa Doeland schreef, naar aanleiding van haar lezing tijdens de tentoonstelling De Vrijstaat – land van 49m², speciaal voor Witte Rook een essay gebaseerd op haar proefschrift. Dit is haar eerste Nederlandstalige essay.
(N)iemandsland
In 1499 kwamen de Europeanen Alonso de Ojeda en Amerigo Vaspucci tijdens hun “ontdekkingsreis” aan op het eiland dat we nu kennen als Bonaire. Het werd, net als het huidige Aruba en Curaçao, al snel door de Spanjaarden (die het inmiddels als hun bezit beschouwden) uitgeroepen tot één van de “nutteloze eilanden” (“islas inútiles”) omdat het zich niet leende voor landbouw en er geen waardevolle “delfstoffen” op het eiland te vinden waren. De bewoners van het eiland – de Caquetío-bevolking – werden tot slaaf gemaakt en verscheept naar Hispaniola om zich daar nuttig (sic) te maken in de mijnen.
Na de Spaanse kolonisten kwamen de Nederlanders, die het eiland gebruikten voor zoutwinning. Het zout gebruikten ze onder meer voor het pekelen van vis en vlees voor op lange zeereizen en vergemakkelijkte zodoende de (slaven)handel. De kleine witte huisjes waarin de tot slaaf-gemaakten woonden, die een belangrijke erfgoedfunctie hebben en de herinnering aan het slavernijverleden levend houden, staan er nog steeds, al is de kans groot dat dat niet lang meer duren. Uit onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam blijkt dat deze huisjes vanwege de zeespiegelstijging naar alle waarschijnlijkheid rond 2050 door de zee verzwolgen zullen worden, al brengt de recente uitspraak van de door Greenpeace aangespannen rechtszaak daar wellicht verandering in – de Nederlandse overheid moet méér doen om de opwarming van het klimaat en daarmee de stijging van de zeespiegel tegen te gaan en zodoende haar burgers op Bonaire te beschermen.
Bonaire kwam recent ook om een andere reden meermaals in het nieuws: brand op de vuilstortplaats bij Lagun. We hebben de neiging om afval als iets inerts te beschouwen. Als dumpbaar. Out of sight, out of mind. En vooral ook: out of (our) world. Het tegenovergestelde is waar. Al die dingen die we op één hoop gooien, ze reageren op elkaar, ze lekken, ze vatten vlam. Kortom, ze blijven op allerlei manieren actief. Uit onderzoek van Wageningen University blijkt dat de kustwateren van Lagun vervuild zijn met hoge concentraties van zware metalen, waaronder koper, zink en kobalt, zo rapporteert het NRC eind 2024. Eind 2025 was het opnieuw raak en moesten bewoners op de vlucht voor de rook. “Als dit op een van de Waddeneilanden zou gebeuren, was er allang ingegrepen,” merkt de woordvoerder van de stichting Pro Lagun op.
Dat de logica van het dumpen een onmogelijke logica is weten we natuurlijk wel, maar dat komt pas op scherp te staan als blijkt dat wat gedumpt wordt niet verdwijnt. Het weggeworpene keert terug. Het dringt zich aan ons op en vraagt onze aandacht. En zorg, in de dubbele betekenis van het woord: we moeten ons er zorgen over maken én er zorg voor (leren) dragen En dat terugkeren gebeurt domweg sneller op een eiland, waar het minder makkelijk in weg te stoppen is of vanaf te vervoeren naar “elders.” Hier op het vasteland hebben we meer ruimte. Hier op het vasteland hebben we bovendien allerlei infrastructuren en systemen in het leven geroepen die ervoor zorgen dat ons afvalprobleem elders word “opgelost.” (Voorheen ging het Europese afval vooral naar Afrika en Azië, tegenwoordig vooral naar Turkije, waar het onder erbarmelijke omstandigheden door kwetsbare migranten wordt “gerecycled.”)
Deze logica van het dumpen is gegrond in het idee van een “niemandsland,” waarmee we terugkeren naar de karakterisering van Bonaire als een nutteloos eiland. Het is hier belangrijk om op te merken dat het Nederlandse woord niemandsland is afgeleid van het Latijnse terra nullius, dat zoveel betekent als land zonder eigenaar. Het kan verwijzen naar een braakliggend terrein, naar een stuk land waar niemand aanspraak op maakt, en ook, in tijden van oorlog, naar een bufferzone tussen twee vechtende partijen. Hoewel ook in het Engels gesproken wordt van “nobodies land” is wasteland een passender vertaling van het Nederlandse niemandsland. Waarom? Het Engelse waste is afgeleid van het Latijnse vastus, dat zoveel betekent als onbezet, desolaat en leeg. Het verwijst naar land dat niet gecultiveerd is, woest en leeg, als een woestijn, een woestenij. (Merk hier ook op hoe Genesis 1:1-2 doorklinkt: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg.”)
In deze vluchtige etymologische ontdekkingstocht tekent zich ondertussen de onlosmakelijke verbondenheid van koloniale en kapitalistische processen af. Iets typeren als nutteloos, als een waste of wasteland¸, is een manier om het tegelijkertijd te onteigenen (waar kolonialisme op drijft) en het productief te maken (waar kapitalisme op drijft). De logica van het dumpen is de logica van de koloniale kapitalist die, om toe-eigenen te legitimeren, suggereert dat er sprake is van een gebrek aan nut, aan cultivering, aan ontwikkeling. Hierin speelt afval een sleutelrol, zowel in de zin dat een gebied als niemandsland typeren een manier is om het je toe te kunnen eigenen – such a waste! – als in de zin dat het in niemandsland nu eenmaal makkelijk dumpen is.
Het werk van de Engelse filosoof John Locke (1632-1704) helpt ons deze logica beter te begrijpen en ook de legitimering die het biedt. “Land dat aan de natuur overgelaten wordt, dat geen verbetering van weideland, geen bewerking of beplanting kent,” zo schrijft hij in Second Treatise on Government (1681), “wordt – en dat is het ook – een woestenij [waste] genoemd; en we zullen ontdekken dat het voordeel ervan weinig meer dan niets is.” Elders verbindt Locke dergelijk land expliciet aan de “wilde wouden en de ongecultiveerde woestenij van Amerika” en merkt hij op dat “in den beginne de hele wereld Amerika” was. Met andere woorden: in den beginne was alles een wasteland en het komt erop aan die woestenij te verbeteren en te cultiveren. Dat was natuurlijk precies waar de Europeanen graag een handje bij hielpen, al hield dat wel in dat het land waarover zij zich ontfermden tot bezit moest worden gemaakt. Europees bezit, welteverstaan. Zoals in Engeland de meenten (commons) vanaf de 15e eeuw worden omgevormd van plekken van algemeen gebruik tot gebieden in privébezit, zo werden ook overzees plekken in bezit genomen en “gecultiveerd.”
In Pollution is Colonialism (2020) legt de Canadese marinebioloog Max Liboiron helder uit waarom we, als we vervuiling beter willen begrijpen (en, zo zou ik daaraan toe willen voegen, in het verlengde daarvan afval in z’n algemeenheid), ons niet blind moeten staren op kapitalisme, omdat dat het zicht beneemt op de logica die legitimeert dat bepaalde lichamen ontsloten worden voor vervuiling. Hoe kwam niet alleen de mogelijkheid, maar zelfs het imperatief om te vervuilen überhaupt op tafel? vraagt Liboiron. Kolonialisme. Waarom? Omdat kolonialisme valt en staat bij de beschikbaarheid van lichamen – of dat nu menselijke of niet-menselijke lichamen zijn, levende of niet-levende – die opgevat worden als bezit (property) met bepaalde kenmerken (properties), waaruit geput kan worden én waarin kan worden gedumpt. Anders geformuleerd: deze lichamen fungeren tegelijkertijd als kraantje én als afvoerputje.
Een dergelijke afvaldialectiek valt en staat bij het idee dat sommige lichamen leeg en onbelangrijk zijn, niets dan niemandslanden die gespeend zijn van relaties en geschiedenissen, waaruit zonder scrupules kan worden geput en waarin probleemloos kan worden gedumpt. Het gevolg van een dergelijke afvaldialectiek is een voortdurende beweging van het insluiten van nutteloos “afval” door de toe-eigening van dat wat gemeenschappelijk was (de commons) én het voortbrengen van afval aan de fronten (frontiers) ervan. Hierbij is het belangrijk om deze fronten niet op te vatten als iets wat zich op een afstand bevindt. Zoals de Australische antropologe Elizabeth Povinelli uitlegt, is het belangrijk om een scherp onderscheid te maken tussen horizonten (horizons) en fronten (frontiers). Wie zich in een frontline community bevindt, zoals de inwoners van Bonaire, ervaart aan den lijve het gevaar van horizonten, zoals die van “net-zero in 2050.” Terwijl wie zich buiten die frontlinie bevindt zich kan verheugen op een groene nieuwe wereld, waarin de energie schoon is en alle afval grondstof, weet wie zich in die frontlinie bevindt dat de praktijk weerbarstiger is. Sterker nog: die voelt aan den lijve dat het opgeruimde gevoel van de horizon-bewoners ten koste gaat van dat van de front-bewoners – de grondstoffen moeten ergens gedolven, het afval moet ergens gedumpt.
Kortom: afval bestaat en niemandslanden bestaan niet, noch nutteloze eilanden. Er woonden al mensen (en niet-mensen). Het land was altijd al iemandsland. Niet in de zin dat het al in andermans bezit was, maar in de zin dat er al mét en ván het land werd geleefd. De vraag is: op welke manier? Potawatomi botanist Robin Wall Kimmerer beschrijft in Braiding Sweetgrass (2013) de verbazing van 17e eeuwse Europese kolonisten over de manier waarop de bevolking, van wat we nu de oostkust van de Verenigde Staten noemen, landbouw bedreef. Waarom werd niet alles geoogst? Omdat mensen niet de enigen zijn die van het land eten. Er moet iets overblijven voor anderen nu, en ook voor toekomstige anderen. Het leek de kolonisten ook te ontgaan dat de overvloed die ze aantroffen niet die van het land alleen was – de mensen voedden het land, het land voedde de mensen. Alle floreren is wederzijds. Terwijl de zeespiegel stijgt en er al aanstalten wordt gemaakt om ook de bodem van de zee te koloniseren op zoek naar grondstoffen die “nou eenmaal nodig zijn” om een groene nieuwe toekomst op de horizon te kunnen blijven projecteren, doen we er beter aan om ons te richten op wat er nu al aan de fronten gebeurt. Daar vinden we geen niemandslanden, maar iemandslanden.
