Dit gesprek met Martine Neddan maakt deel uit van het hoofdstuk ‘De waarde van archivering’, waarin we ingaan op de problematiek rond vergankelijkheid, het belang van originaliteit, de verantwoordelijkheid van archivering, de juridische status van artistieke inhoud en de toekomst van het behoud van digitale kennis.

E) Kun je ons iets vertellen over jezelf, je werk en hoe je als kunstenaar actief bent geworden op het internet?

(M) Mijn naam is Martine Neddam, ik kom oorspronkelijk uit Frankrijk, maar woon al geruime tijd in Amsterdam. Aan het begin van mijn carrière werkte ik als beeldend kunstenaar die taal als medium gebruikte, en ik maakte vooral kunst in de openbare ruimte. Ik raakte vertrouwd met het internet en de computer omdat ik Photoshop wilde leren. Ik ben heel slecht in tekenen, maar ik moest mijn werken visueel weergeven voor de openbare opdrachten die ik deed. Dus begon ik Photoshop te gebruiken om mijn projecten weer te geven alsof ze al bestonden. In die tijd had ik geen computer omdat die te duur waren. Gelukkig werd ik uitgenodigd voor een artist-in-residence-programma aan de Universiteit van Amsterdam bij de afdeling informatica en logica, waar ik de kans kreeg om een van de computers van de universiteit te gebruiken. Ik bracht veel tijd door met rommelen op die computer, en zo leerde ik Photoshop zonder handleiding. Tijdens mijn werk aan de universiteit ontmoette ik veel andere mensen die de computer gebruikten voor logica en programmeren, maar ook om te schaken en e-mails te versturen. Die mensen waren erg behulpzaam in het uitleggen hoe computers werken. Dat was rond 1992 of 1993, in de allereerste dagen van het WWW.

(E) En hoe is dit uitgegroeid tot het maken van digitale kunstwerken?

(M) In het begin werd de wereld rond het nieuwe internet gedomineerd door nerds en politieke activisten. Het voelde niet meteen alsof wat ik op internet deed kunst was. Voor mij was het meer een plek voor experimenten en ontdekkingen. Na een tijdje had ik genoeg geld bij elkaar om mijn eigen computer te kopen, waardoor ik er in mijn eigen studio mee kon experimenteren. Ik ging naar een lezing in De Balie, waar ik hoorde over mensen die elkaar ontmoetten op MOO’s. MOO’s waren sociale ruimtes die uitsluitend uit tekst bestonden, waarin je een virtuele ruimte kon bouwen door te beschrijven hoe je die eruit wilde laten zien. Ik studeerde taalkunde, dus die ‘ruimtes gemaakt van tekst’ sloten heel goed aan bij mijn interesse in taal. Op je computer verschenen ze als een klein venster met alleen tekst (ASCII), en het was mogelijk om via tekst te communiceren met de ruimtes van andere gebruikers. Je kon zelfs je eigen denkbeeldige ruimte beschrijven, de ruimtes van anderen bezoeken, en je kon zelfs enkele tekstelementen binnen de virtuele ruimte programmeren. Een ruimte bouwen in die context betekende dat je een paar eenvoudige regels code kon schrijven om je eigen kamer te creëren en dat je kon zien wat anderen in hun eigen kamers hadden gebouwd. Als zodanig fungeerden MOO’s als openbare ruimtes, maar ook als leuke plekken waar je met anderen kon praten. In die gesprekken kon je verschillende rollen aannemen. Zolang je naam nog niet bezet was, kon je zijn wie je maar wilde. Ik koos voor de naam Mouchette omdat Martine al bezet was. Zo is de identiteit van Mouchette ontstaan: de MOO’s waren gevestigd op universiteiten waar iedereen het Engels goed beheerste. Omdat mijn Engels toen nog slecht was, besloot ik te zeggen dat ik 12 jaar oud was, zodat ze geen oordeel konden vellen over mijn taalvaardigheid. Ik vond dit idee van rollenspel zo leuk dat ik in verschillende kamers verschillende personages verzon, en uiteindelijk werd Mouchette een entiteit op zich, met haar eigen website.

(E) Hoe heb je Mouchette ontwikkeld van een online identiteit in een MOO tot een online kunstwerk?

(M) De MOO’s werden vooral gebruikt als vermaak voor mensen die aan universiteiten verbonden waren. Je ging naar een MOO zoals je naar een café zou gaan, om online te socializen. De gebruikers hielden zich voornamelijk bezig met onderzoek op het gebied van literatuur, filosofie of programmeren, en ze waren allemaal erg interessant, dus ik vond het heerlijk om met ze te praten, ook op een speelse manier. Voor mij was het de perfecte plek om te spelen en plezier te hebben in het creëren, omdat mijn andere werken, de openbare opdrachten en tentoonstellingen, langetermijnprojecten waren die veel ontwerp, logistiek, organisatie en wat saaie dingen vereisten. Op een gegeven moment, in Amsterdam, leerde iemand me hoe ik HTML moest doen. Ik ben niet zo dol op het schrijven van code, maar dit was vrij eenvoudig. Ik deed alles zelf: webpagina’s, geluiden, GIF’s, tekst en afbeeldingen. Voor deze verschillende elementen gebruikte ik gratis software die in die tijd bestond, en die allemaal maar één ding tegelijk deden. Er was bijvoorbeeld freeware waarmee je een GIF kon maken, die op een cd-rom bij een tijdschrift werd weggegeven. Ik was niet goed in het schrijven van code, maar ik kon het wel lezen en delen van de code herkennen, dus gebruikte ik de gratis software en leende ik code van andere websites of online repositories, die ik kopieerde en in mijn webpagina plakte om iets nieuws te maken. Ik werkte volledig als een bricoleur. Na een tijdje kwam er een webbrowser genaamd Netscape met een ingebouwde editor, waardoor het voor mij makkelijker werd om een webpagina op te zetten. Zo heb ik Mouchette gemaakt.

(E) Is je werkwijze veranderd sinds de ontwikkeling van nieuwe technologieën en technieken?

(M) Creëren op het internet is veel complexer dan vroeger. Er bestaat nog steeds gratis software, zoals serversoftware, bijvoorbeeld Apache. Maar deze software is veel sterker verweven met andere software, en ze doen heel veel verschillende dingen tegelijk, veel meer dan je ooit nodig zou hebben, en ze dringen je hun werkwijzen op. Programma’s kunnen met elkaar verweven zijn en je kunt stukjes en beetjes uit verschillende bronnen gebruiken. Tegenwoordig kun je ook vrije software combineren die je op Github of ergens anders kunt vinden, terwijl je tegelijkertijd ook propriëtaire software gebruikt. Er is veel mogelijk, maar het maken van een website of een internetproject is veel ingewikkelder dan vroeger, dus je hebt meer expertise, toewijding en tijd nodig om het uit te zoeken, omdat je aan veel verschillende opgelegde standaarden moet voldoen. Creëren op het internet vindt, zoals ik het begrijp, plaats in twee parallelle ruimtes: je fysieke computer, met je harde schijf, en de server daarbuiten, je webhost. Voor mij is het web een dubbele ruimte waarin je dingen kunt uploaden, maar je kunt het equivalent daarvan op je desktop hebben. Wanneer je je werk uploadt en naar het internet stuurt, verlies je de controle over je werk; daarom maak ik mijn werk op mijn desktop en niet in de ‘cloud’. Ik sta zeer afwijzend tegenover het idee dat mijn bestand daar ergens staat en niet op mijn eigen computer is opgeslagen en georganiseerd.

(R) Het lijkt mij dat dit proces niet verschilt van het werk dat je als kunstenaar in je atelier verricht voordat je je werk via tentoonstellingen of publicaties aan de wereld presenteert. Eerst creëer en vorm je het werk, vervolgens interpreteer en contextualiseer je het, voordat je het aan het publiek presenteert.

(M) Ja, zo is het precies. Voor mij zorgt het wisselen tussen die ruimtes ervoor dat ik stevig in het materiële verankerd blijf. Daarnaast staan we onder invloed van de propaganda die de cloud voorstelt als een soort abstracte plek waar al je gegevens worden opgeslagen. Natuurlijk is het formeel gezien geen cloud. Het is niets anders dan een enorme hoeveelheid servers, wat een heel fysiek iets is dat zich bevindt in grote gebouwen met strenge beveiliging. Het grootste probleem met de cloud is dat je je gegevens daar wel kunt opslaan, maar niet kunt bepalen hoe vaak ze steeds opnieuw worden opgeslagen. Je gegevens worden zo vaak gekopieerd en opnieuw gekopieerd dat je automatisch deelneemt aan een systeem dat enorme hoeveelheden energie verbruikt. Het is geen toeval of om poëtische redenen dat zo’n systeem ‘de cloud’ wordt genoemd en niet ‘opslag’ of ‘opslagdiensten’; dat gebeurt allemaal omdat ze het liever vaag houden en geen argwaan willen wekken. En we nemen het allemaal voor lief vanwege het gemak dat het ons biedt. Ik ben niet tegen een opslagdienst, maar het ‘de cloud’ noemen en mensen de controle over hun gegevens ontnemen is gewoon verkeerd. Dit is slechts één voorbeeld van een situatie waarin we machteloos worden gemaakt en het is ook een van de belangrijkste redenen waarom ik geen Photoshop op een externe server wil gebruiken. Ik ben me ervan bewust dat mijn opvatting over data volledig wordt bepaald door de manier waarop ik het als vroege gebruiker heb ervaren en hoe ik het heb zien ontstaan. Toen ik in 1993 of 1994 met het internet begon, lieten sommige mensen die ik ontmoette me persoonlijk zien hoe het werkte. In Amsterdam werd het internet met veel enthousiasme ontvangen. Er heerste in die tijd een utopische sfeer, een zeer idealistische houding van vrijgevigheid en onderlinge hulp. Veel van de vroege internetgebruikers waren ook politiek actief, waardoor het internet een plek werd voor mensen die geloofden in politieke actie. Je had bijvoorbeeld mensen die aan piratenradio deden, die streefden naar een ruimte waarin ze niet door de staat gecontroleerd hoefden te worden. Dit waren dezelfde mensen die het internet gingen gebruiken voor hun idealistische, utopische en politieke ideeën. Dit alles creëerde een gemeenschap van mensen die hun kennis gratis met elkaar en met de wereld deelden. Dit klinkt misschien allemaal erg utopisch, maar in die tijd voelde het allemaal heel natuurlijk. Je kunt het vergelijken met de uitvinding van het HTTP-protocol; ook dat was een natuurlijke gang van zaken. HTTP werd bij toeval uitgevonden door een onderzoeker in Zwitserland (Tim Berners-Lee), die werkzaam was bij een natuurkundig instituut (CERN). Deze onderzoeker werkte in verschillende natuurkundige centra in Europa en zocht naar een manier om de verschillende servers die hij gebruikte met elkaar te verbinden. Het internet bestond al, dus ontwikkelde hij een protocol om foto’s en teksten van zijn verschillende servers in verschillende steden met zijn eigen computer te verbinden. Omdat hij in dienst was bij een staatsuniversiteit, kwam het nooit bij hem op om geld te vragen voor deze kleine uitvinding. Het voor iedereen vrij toegankelijk maken was voor hem zo vanzelfsprekend dat het nooit bij hem opkwam om het als commercieel product te verkopen. Ook vandaag de dag zien we nog sporen van deze benadering; Wikipedia maakt bijvoorbeeld gebruik van het principe van het vrij delen van informatie.

(E) Wordt je werk ook beïnvloed door die veranderde houding ten opzichte van het internet?

(M) In het begin was het internet nog niet commercieel. Veel mensen deden dingen gratis. Toen ik begon met de computer, merkte ik hoe behulpzaam mensen waren. Ze namen de tijd om me te laten zien hoe het werkte, omdat ze geïnteresseerd waren in hoe het internet zich zou ontwikkelen. Sommige programmeurs werkten als onderzoekers voor universiteiten en in hun vrije tijd werkten ze aan de ontwikkeling van het internet. Velen van hen waren zo enthousiast over wat er op het internet gebeurde dat ze het graag met iedereen deelden. Op het internet draaide alles om delen, een heel andere sfeer dan vandaag de dag. Ik ben nog steeds erg dankbaar voor hoe dit zich allemaal in Amsterdam heeft ontwikkeld. Amsterdam was in die tijd het centrum van het nieuwe en vrije internet. In de Verenigde Staten was het internet bijvoorbeeld veel meer gecommercialiseerd. Dit had waarschijnlijk iets te maken met de vrijdenkende houding die in Europa, en met name in Amsterdam, heerste. Het is geen toeval dat Descartes hierheen kwam om zijn werk te publiceren, omdat hij in Frankrijk door de kerk werd gecensureerd.

(E) Maar is het tegenwoordig nog wel mogelijk om op het internet te experimenteren?

(M) Voor mij niet. De praktijk van het ‘bricoleren’ werkt niet meer en de programmeurs die vroeger vrije software maakten en verspreidden, bestaan niet meer. In het jaar 2000 ben ik een database begonnen, waarbij ik een programmeur heb gevraagd om me te helpen met een aantal problemen. Voor mij was het samenwerken met een programmeur om internetkunst te maken niet anders dan het samenwerken met technici en bouwers voor de kunst die ik in de openbare ruimte maakte. Elke kunstenaar werkt samen met anderen, omdat er zoveel dingen zijn die je niet in je eentje kunt doen. Als je een bronzen sculptuur maakt, heb je experts nodig in die specifieke technieken, en bij grote installaties heb je veel verschillende experts nodig om alles te laten werken. Een groot deel van het kunstenaarschap bestaat uit het voeren van een dialoog met mensen die je helpen je werk te creëren. Tegenwoordig zie ik een nieuwe generatie voor wie dit idee van samenwerking ingebakken is en daardoor vanzelfsprekend.

(R) Hoe ervaar je de wrijving die ontstaat wanneer je je internetwerken in de fysieke ruimte tentoonstelt?

(M) Aan het begin van mijn carrière voerde ik openbare opdrachten uit en organiseerde ik tentoonstellingen onder de naam Martine Neddam. In die tijd werd Mouchette nog niet als kunst gezien, maar het bestond wel in mijn atelier en was voor mij een vorm van ontspanning. Ik had een mailinglijst op mijn computer waarmee ik evenementen rond Mouchette aankondigde aan zo’n honderd mensen, en platforms zoals Rhizome publiceerden erover. Ik had slechts een klein online publiek dat Mouchette als kunst erkende. Het publiek in het echte leven reageerde anders. Ik herinner me dat ik een tentoonstelling over Mouchette had in de galerie van Tanya Rumpff in Haarlem, waarvoor ik prints, objecten en een installatie maakte. Voor deze tentoonstelling vertaalde ik enkele internetervaringen naar objecten, prints en kunstwerken. Zo creëerde ik bijvoorbeeld gepixelde afbeeldingen van dingen die tot de internetsfeer behoorden. Maar omdat dit 1998 was, was nog niemand geïnteresseerd in kunst op het internet. Ik was daarentegen niet geïnteresseerd in het verkopen van objecten, maar de uitwisseling en de interactie met het publiek interesseerden me veel meer. Ik verdiende geen geld met deze interacties met het publiek, maar wel met de openbare opdrachten die ik als kunstenaar uitvoerde en de royale subsidies die de Nederlandse overheid verstrekte. In die tijd had de overheid subsidies waarvoor je niet hoefde te verantwoorden waaraan je het geld besteedde. Daardoor waren het ideale onderzoekssubsidies die internetkunstenaars hielpen opbloeien. Het enige wat je hoefde aan te tonen, was dat je actief was als professioneel kunstenaar. Ik ben ervan overtuigd dat deze subsidies de reden waren dat online kunst in Nederland tot bloei kwam. JODI, Peter Luining en diverse andere makers ontvingen ze. Hun werken waren stuk voor stuk creatief, provocerend en gedurfd, omdat ze al hun tijd konden besteden aan het creëren en experimenteren.

(R) Zijn er specifieke dingen die je doet om je werk voor de toekomst te bewaren?

(M) Het probleem met mediakunst is dat het moeilijk is om het online te houden. Ik steek veel energie in het zorgen dat mijn werken toegankelijk blijven en dat ze interactief blijven. Mijn visie op het bewaren van mijn werk is om het niet te veel te veranderen, omdat ik wil dat het op dezelfde manier functioneert als toen ik het maakte. En ik wil Mouchette zo laten draaien dat ik het vanaf mijn eigen computer kan beheren in plaats van cloudgebaseerde interfaces te gebruiken, wat betekent dat ik soms interfaces voor de database moet repareren of upgraden. Ik heb onlangs een programmeur in Praag gevonden die me daarbij kan helpen. Hij is ook een kunstenaar, wat erg belangrijk is als het gaat om het repareren van internetkunst, omdat hij kunst liefheeft en respecteert. Als je een commercieel bedrijf benadert om dit te doen, zouden ze geen enkele interesse hebben om het werk precies zo te houden als het is. Ik richt me op het repareren van mijn werk in plaats van het opnieuw op te bouwen. De ecologie van het web en de codering ervan veranderen voortdurend en het zou te kostbaar zijn om het hele werk opnieuw op te bouwen telkens wanneer het niet meer werkt. Op dit moment ziet mijn werk er waarschijnlijk uit als Frankenstein als je naar de code kijkt.

(E) Hoe ga je om met het veranderlijke karakter van je werk wanneer het op het internet wordt geplaatst?

(M) Ik ben geïnteresseerd in het maken van werken die bestaan binnen een interactie. Het kunstwerk is de online situatie, en tot op zekere hoogte de software die de interactie tussen de kijker en mij mogelijk maakt. NFT’s zijn het tegenovergestelde van wat ik doe. Ze sluiten het werk op in een vaste vorm voor commerciële doeleinden. Toen het internet zijn intrede deed, functioneerde online kunst vooral als iets dat interactie op gang brengt. Online kunst is wat er gebeurt tussen een externe server en een lokale computer. Je maakt het werk, zet het op een externe server, en vervolgens bekijkt de gebruiker het terwijl hij het van de externe server haalt. Het draait allemaal om de interactie tussen de servers, de computer en de gebruiker, en in dit proces zijn er veel elementen die kunnen veranderen. Voor mij is de NFT regressief in vergelijking met Net Art; het fetisjeert het object.

(E) Hoe ervaar je de dialoog met gebruikers?

(M) Voor mij vormt deze dialoog de basis van elke kunstvorm, inclusief literatuur. Toen ik jonger was, las ik boeken en schreef ik altijd aantekeningen in de kantlijn, als reactie op de auteur. Er was altijd een dialoog gaande met de boeken die ik las. De auteur dringt je intieme sfeer binnen en je communiceert met hem of haar in je verbeelding. Het boek wordt een dialoogruimte op zich. In de beeldende kunst werd ik sterk geïnspireerd door conceptuele kunstenaars zoals Lawrence Weiner, voor wie een sculptuur in de geest van de toeschouwer bestaat door middel van een geschreven beschrijving of definitie op de muur. Mijn liefde voor kunst wordt niet noodzakelijkerwijs getriggerd door de uitstraling of de aanwezigheid van een object. Ik kan me voorstellen dat je een geweldige ervaring kunt hebben als je recht voor een schilderij staat, maar ik heb altijd meer een dialoog gevoeld met een sculptuur dan met een schilderij. Voor mij verandert een sculptuur voortdurend als je eromheen loopt. De waarneming van de sculptuur hangt af van hoe je jezelf ten opzichte van het werk positioneert en er is zeker een levendige interactie tussen de toeschouwer en het werk.

(E) Is je werk veranderd omdat het internet tegenwoordig anders is?

(M) Ja, natuurlijk is het veranderd. Je probeert altijd de veranderingen bij te houden, maar dat is bijna onmogelijk. Bij het bewaren van mijn werk probeer ik het aan te passen, zodat het hetzelfde kan blijven en eindeloos gelijke tred houdt met het internet. Ik werk zo omdat ik geloof in de veelzijdigheid, de dialoog en de interpretaties die blijven bestaan, zelfs als ik moet updaten naar nieuwere softwareversies. Ik wil het niet opnieuw formatteren naar de nieuwste versies en alles gladstrijken om het aan te passen aan onze nieuwe apparaten. De basis van het werk blijft ongewijzigd en past zich niet soepel aan telefoons en tablets aan. Bij het bewaren van mijn werk denk ik ook na over hoe mensen het ervaren, ieder op een andere manier. Onlangs vond ik 15 video’s met schermafbeeldingen, gemaakt door jonge Russen die op Mouchette surften en schermopnames maakten. Sommige zijn opgenomen op de telefoon, sommige zijn geïntegreerd in verhalen die je fanfictie zou kunnen noemen, en sommige zijn heel eenvoudig en bestaan uit een voice-over die commentaar geeft op het surfen op de website. Ik heb ze allemaal in het Engels laten ondertitelen en opgeslagen op een website genaamd Visions of Mouchette. Je zou kunnen zeggen dat deze video’s een archief zijn, maar voor mij is het een onderdeel van mijn werk, omdat ik altijd heb vertrouwd op de dialoog met de gebruiker, en hier gaat die dialoog van een simpele schermopname naar een totale herinterpretatie. Ik heb deze reeks video’s in de structuur van het domein geïntegreerd door het subdomein ‘visions.of.mouchette.org’ aan te maken, dat op deze manier aan het domein mouchette.org is gekoppeld.

(E) Betekent dit dat je je websites en domeinen bijna als fysieke ruimtes beschouwt?

(M) Niet bijna, het zijn fysieke ruimtes, ze hebben een materialiteit. We moeten mensen voorlichten over de materialiteit van data, hoe we er zorgvuldig mee moeten omgaan en aan wie we die toevertrouwen. Er is tegenwoordig zoveel mis met onze gegevensopslag en onze online aanwezigheid. Als je je realiseert hoe vaak je wordt gevolgd, dat je meer advertenties dan informatie krijgt, zie je hoe problematisch het is dat al onze gegevens nu in handen zijn van grote bedrijven.

(E) Heb je een visie op hoe Mouchette in de toekomst bewaard moet blijven?

(M) Zolang ik leef, zal ik voor het werk zorgen. Ik bewaar het op een manier die ik ‘generatieve bewaring’ noem. Deze term klinkt tegenstrijdig, maar wat ik bedoel is: data zijn levend wanneer ze meer data kunnen genereren, en die data worden bewaard omdat ze kunnen veranderen. Het concept van ‘generative preservation’ werkt ook bij de overgang van het ene medium naar het andere. Mouchette is bijvoorbeeld geïnspireerd op een film van Robert Bresson. Deze film is op zijn beurt geïnspireerd op een boek van Georges Bernanos, geschreven in de jaren ’30. Er is veel veranderd in mijn eigen versie, maar bepaalde elementen van de originele werken blijven in leven via de online versie van Mouchette. In zekere zin bewaar je elementen door ze opnieuw te creëren in een nieuw medium. Mijn favoriete voorbeeld van ‘generatieve bewaring’ is het verhaal van Frankenstein. Het oorspronkelijke verhaal werd in 1818 geschreven door Mary Shelley en is nog steeds verkrijgbaar als roman. Er zijn veel films van gemaakt, en één daarvan creëerde specifiek het beeld van Frankenstein als het monster dat we allemaal kennen, dat het officiële beeld van het monster werd, het enige echte. In het oorspronkelijke verhaal is Frankenstein echter de naam van de wetenschapper en niet van het monster; het monster was naamloos en onschuldig in het oorspronkelijke verhaal. Bepaalde sleutelelementen zijn veranderd of vergeten, maar door sommige elementen over te brengen naar een ander medium bleef de bron levend in ons collectieve geheugen. Het verhaal wordt nu overgebracht via een concept dat zo diep in onze samenleving is doorgedrongen, dat onze ideeën over Frankenstein inmiddels ver afstaan van het oorspronkelijke boek. Zo werkt generatieve behoud: je bewaart kunst en ideeën omdat ze zich verspreiden en hun weg vinden naar de samenleving.

(E) Leidt dit niet tot een grote spanning tussen de dynamiek van het medium en de betekenis van het werk?

(M) Dat klopt. Je kunt internetkunst niet op een harde schijf op een plank zetten, want dan verlies je een deel van de betekenis ervan. De meeste internetkunst is gebaseerd op interactiviteit, dus als je het bewaart, moet de inhoud van medium naar medium kunnen circuleren om ervoor te zorgen dat het toegankelijk blijft. De meeste mensen denken misschien dat het bewaren van een kunstwerk hetzelfde is als het opslaan van een schilderij in een depot. Maar als je het werk zijn toegankelijkheid en daarmee zijn betekenis ontneemt, sterft het.

(E) Betekent dit dat je in dit proces dingen moet loslaten?

(M) Je kunt niet alles bewaren. In het begin was ik erg geïnteresseerd in blockchain, omdat ik dacht dat het me zou helpen een gemeenschap rond het bewaren van kunst op te bouwen. Maar nu zie ik de problemen met NFT’s. Je presenteert iets als een object en sluit het op in een virtuele kast. Dit doodt de zichtbaarheid en toegankelijkheid. Je produceert werk dat niet gezien zal worden, maar alleen door iemand gekocht en gebruikt als een middel voor speculatie. Dat is niet gebaseerd op de artistieke waarde van het werk. Het internet werd gezien als de ultieme ruimte voor vrije informatiecirculatie en een instrument van democratie, maar nu lijkt het precies het tegenovergestelde te zijn geworden. Ik richt me liever op dingen die deze koers kunnen veranderen. Wikipedia is nog steeds een zeer gezonde constructie met zeer ethische principes, net als het gemeenschappelijke tuinplatform dat Constant Dullaart heeft gecreëerd. Ze maken beide gebruik van principes van delen en een open systeem, wat zeer waardevol is. Het laat zien dat kunstenaars zich nog steeds bezighouden met wat er in de samenleving gebeurt en dat het nog steeds mogelijk is om op het internet samen te komen en een gastheer te worden om platforms te creëren waar experimenteren en collectiviteit een rol spelen. De kunstwereld draait niet alleen om het creëren, maar raakt ook aan toewijding, delen en geloof in democratie.